 |
 |

 |
  |
 |
 |
De Volkskrant, 13 juni 2007
Mensen houden niet vast aan het geloof omdat het troost biedt, maar omdat ze in de steek zijn gelaten door het onderwijs, betoogt Richard Dawkins.
De vorige editie van God als misvatting werd alom omschreven als de ‘verrassende’ bestseller van 2006. Het boek kreeg een warm onthaal bij de lezers. Minder overweldigend was het enthousiasme in de pers. Hier behandel ik twee punten van kritiek die daarin naar voren kwamen.
1. Je bent net zo’n fundamentalist als de mensen die je bekritiseert
Het is al te makkelijk een gepassioneerd iemand, die bereid en in staat is van gedachten te veranderen, te beschouwen als een fundamentalist, iemand die nooit van gedachten zal veranderen. Fundamentalistische christenen verzetten zich hartstochtelijk tegen de evolutieleer en ik ben er een gepassioneerd aanhanger van. Als het om hartstocht gaat, hoeven we niet voor elkaar onder te doen. Volgens sommigen wil dat zeggen dat we in gelijke mate fundamentalistisch zijn. Maar als twee tegengestelde standpunten met evenveel kracht worden verkondigd, dan ligt de waarheid niet per se in het midden. Het kan namelijk best zijn dat één partij het gewoon fout heeft, wat de gepassioneerdheid van de andere partij rechtvaardigt.
Fundamentalisten weten dat ze zich door niets of niemand op andere gedachten laten brengen. De fundamentalist Kurt Wise heeft gezegd: ‘Als al het bewijs in het universum pleitte tegen het creationisme, zou ik de eerste zijn dat toe te geven, maar dan nog zou ik een creationist zijn, omdat Gods Woord mij dat ingeeft.’
Het verschil tussen deze hartstochtelijke verknochtheid aan bijbelse grondregels en de even hartstochtelijke verknochtheid aan bewijs van de ware wetenschapper is levensgroot. Kurt Wise zegt dat alle bewijzen in het universum hem niet op andere gedachten kunnen brengen. De ware wetenschapper, hoe gepassioneerd hij mag ‘geloven’ in de evolutie, weet precies wat nodig is om hem tot andere inzichten te brengen: bewijs. Zoals de bioloog Haldane zei toen hem werd gevraagd wat voor soort bewijs de evolutieleer zou ontkrachten: ‘Fossiele konijnen in het Precambrium.’
Mijn tegengestelde versie van het ‘manifest’ van Wise luidt: ‘Als al het bewijs in het universum pleitte voor het creationisme, zou ik de eerste zijn dat toe te geven, en ik zou terstond mijn opvattingen bijstellen. Maar al het beschikbare bewijs pleit voor de evolutieleer. Daarom maak ik mij sterk voor de evolutie met een hartstocht die wedijvert met de passie van degenen die ertegen pleiten. Mijn bevlogenheid is gebaseerd op bewijs. Hun geestdrift, die zich van bewijs niets aantrekt, is echt fundamentalistisch.’
2. Ik ben zelf atheïst, maar de mensen hebben nu eenmaal behoefte aan religie.
Wat een hoogmoedige neerbuigendheid! ‘Jij en ik zijn, uiteraard, veel te intelligent en goed opgeleid om godsdienst nodig te hebben. Maar de gewone mensen, die hebben het geloof wel nodig.’
Dat doet me denken aan die keer dat ik een voordracht hield over het begrijpelijk maken van wetenschap voor het grote publiek. In mijn verhaal voer ik kort uit tegen het versimpelen van kennis. Tijdens het vragenkwartiertje zei iemand dat versimpelen wel eens nodig kon zijn om ‘minderheden en vrouwen te winnen voor de wetenschap’. Uit zijn toon was op te maken dat hij zichzelf heel ruimdenkend en vooruitstrevend vond. Ik kan me wel zo’n beetje voorstellen wat de vrouwen en ‘minderheden’ in het publiek ervan vonden.
De behoefte van de mens aan troost en steun is natuurlijk reëel, maar schuilt er niet iets kinderlijks in de opvatting dat het universum ons troost verschuldigd is, dat we er recht op hebben? Wat Isaac Asimov zegt over het infantilisme in de pseudowetenschappen geldt wat mij betreft ook voor religie: ‘Doorzoek elk stukje pseudowetenschap en je vindt een knuffeldekentje, een duim om op te zuigen, een rok om aan vast te klampen.’ Het is daarbij verbluffend hoeveel mensen niet kunnen begrijpen dat het feit ‘X biedt troost’ niet impliceert dat ‘X is waar’.
Uiteraard kan ik de behoefte aan emotionele steun niet ontkennen, en evenmin kan ik beweren dat God als misvatting veel meer dan een schrale troost biedt voor bijvoorbeeld diepbedroefde mensen. Maar als de troost die godsdienst lijkt te bieden, gebaseerd is op de neurologisch wel erg onaannemelijke premisse dat wij na de dood van onze hersenen blijven bestaan, wil je die troost dan koste wat kost blijven verdedigen?
Ik denk dat de voornaamste reden waarom mensen vasthouden aan het geloof niet is dat het troost biedt, maar dat ze in de steek zijn gelaten door het onderwijs en niet hebben geleerd dat niet geloven óók een optie is. Dit geldt zeker voor de meeste mensen die denken dat ze creationist zijn. Ze hebben gewoon niet degelijk genoeg les gehad in Darwins verbluffende alternatief. Waarschijnlijk geldt dit ook voor het kleinerende fabeltje dat mensen religie ‘nodig’ hebben. Op een congres in 2006 citeerde een antropoloog het antwoord van Golda Meir, toen haar werd gevraagd of ze in God geloofde: ‘Ik geloof in het Joodse volk en het Joodse volk gelooft in God.’ Die antropoloog gaf zijn eigen versie van die uitspraak: ‘Ik geloof in mensen, en mensen geloven in God.’
Zelf houd ik het erop dat ik in mensen geloof, en dat als mensen worden aangemoedigd na te denken over alle beschikbare informatie, ze heel vaak niet in God blijken te geloven en een compleet, tevreden en blijmoedig leven leiden; een bevrijd leven.
Richard Dawkins is evolutiebioloog. Dit is een bekorte versie van het Voorwoord bij de tiende, gewijzigde druk van zijn boek God als misvatting (Nieuw Amsterdam).
|
 |
|
|

|
 |
|




|